woensdag 12 januari 2022

Buurtverhalen (12): Het onbekende lot van Petterik


Een paar portieken verderop schreeuwde de buurvrouw naar haar zoon. Petterik! Petterik!

Waar zou dat joch uithangen? 

Zeker niet in de binnentuin, daar kon hij vanuit hun huis op de derde verdieping niet komen. Ook niet op het dak. Maar waar dan wel?

Bij nader onderzoek bleek dat Petterik helemaal niet ver weg was, maar gewoon in huis, misschien wel op het balkon, en dat zijn moeder vond dat het luidkeels toeroepen de enige manier was om zijn aandacht te trekken. 


Ze deed het vaker zo. Eén of twee keer per dag, meerdere dagen in de week, en net zoveel weken per jaar als er weken in een jaar zitten.

Petterik werd toegeschreeuwd, en als zijn moeder zijn aandacht had, schreeuwde ze verder over dingen die hij moest doen of fout deed of wat dan ook. 

Misschien had Petterik het nodig, misschien deed hij ook veel fout, maar ik geloof niet dat Petterik het slechte karakter of de kwade wil of de boze opzet had die zijn moeder hem toedichtte. Petterik, laat ik hem verder gewoon Patrick noemen, was wat we vroeger “een zielig geval” noemden. Geen syndroom van Down, maar iets anders waardoor hij achterliep, waardoor hij anders was. Iedere doordeweekse dag werd hij met een busje opgehaald om naar één of andere opvang- en opleidingsvorm gebracht te worden. Aan het eind van de dag kwam hij weer terug, om door zijn moeder gecommandeerd te worden. 

Af en toe leek zijn wat oudere broer (Henderik, of zo) ook een bron van ergernis te zijn. En soms leek er een vader aan het spel mee te doen. Diens rol was onduidelijk, behalve op de momenten dat de vader en de moeder ruzieden, en de buurt mee mocht genieten van gebrom, geschreeuw, gehuil, afgewisseld met "Petterik!" als het joch zich er blijkbaar mee bemoeide.

Ik heb wel eens zo’n telefoondienst gebeld, zo’n club die zich bezig hield met kindermishandeling, als ik het idee kreeg dat Patrick niet alleen verwijten en scheldwoorden, maar ook hardere zaken naar zijn hoofd geslingerd kreeg. Ik weet zeker dat anderen ook belden. 

Zijn onderbuurvrouw, de oude lieve mevrouw De Wit, bekommerde zich wel eens om het joch. Dan haalde ze hem in huis om hem in alle rust limo en koekjes te voeren, en om hem uit de klauwen van zijn familie te houden. 

 

Het ging van kwaad tot erger. Het geschreeuw nam toe, zo ook de zorgen. Ik belde weer eens met de kinderbescherming.

Plotseling was het afgelopen. Het was stil. Dagen achter elkaar hoorden we niets. 
Na een week of wat vroeg ik mevrouw De Wit wat er met Patrick gebeurd was. Veel kon ze er niet over vertellen, behalve dan dat ze allemaal verdwenen waren. ’s Morgens ging Patrick met z’n busje naar school, en ’s middags vertrok de rest van het gezin met een halfvolle vrachtwagen. 

En dat was het.

Patrick weg, familie weg, en wij bleven met een raadsel achter. Ik geloof niet dat iemand de moeite heeft genomen precies uit te zoeken wat er nu voorgevallen was, waar ze nu naar toe waren, hoe ze terecht waren gekomen, wat er met Petterik gebeurd was. Wat zouden we ook aan die kennis gehad hebben?

donderdag 16 september 2021

Buurtverhalen (11): Of ik iemand besteld had

Het is alweer een tijdje geleden.

Het was laat. Erg laat, en ik sliep. Of bijna. Of ik las een boek, zoiets. In ieder geval lag ik in bed, toen de bel ging. Ik schrok. Niet vanwege het slechte geweten dat ik ongetwijfeld had, maar vanwege het wonderlijke tijdstip, en het vermoeden dat het slecht nieuws zou kunnen betekenen. De brandweer. De politie. Een buurmens in de problemen. Een ouder die de weg kwijt was. Zoiets.
Ik schoot iets aan, hobbelde de gang door, en snelde naar de deur.

Een vaag type, met daarachter een fris jong ding in onfrisse kleren.

Of ik iemand besteld had.

‘Eh? Nee!’

Of ik haar niet besteld had. Hij wees naar het meisje. Ik zag haar niet zo goed, maar ze leek me te jong. Te mooi. Te luchtig gekleed. Te somber kijkend.

‘Eh? Nee.’

Of ik dat wel heel erg zeker wist.

Hier moest ik toch echt even twijfelen. Ik wist het heel erg zeker, maar dat leek me niet het belangrijkste deel van zijn vraag. Het ging er meer om of ik handel met hem wilde doen, onder dreiging van iets waar niet expliciet mee gedreigd werd.
Ik keek nog eens, en kon me voorstellen dat ik haar, als ik veel jonger was, misschien wel beter zou willen leren kennen, maar om de dooie dood niet onder deze omstandigheden, nu, als onderdeel van een zakelijke afspraak.

‘Ja. Ik weet het zeker.’

Dan was er vast en zeker een vergissing in het spel.

‘Vast en zeker.’

De man wenste me een goede nacht, verder. De jongedame keek me nog even aan.

Het werd een rusteloze nacht, met nare gedachten, vreemde dromen, en het gevoel dat ik meer had moeten doen. Maar wat? En hoe?

maandag 23 augustus 2021

Buurtverhalen (10): Huurdershumor


Alle bewoners van het trappenhuis naast ons werden uitgekocht door de oude eigenaar. De nieuwe eigenaar liet de hele boel kaal strippen, en weer soort van prachtig optrekken. Soort van prachtig, ik schrijf het bewust, want de schijn was schoon maar de kwaliteit leek bij later gebruik nogal tegen te vallen. Dat werd echter pas later bekend. Wat direct bekend was, was dat muren werden verwijderd en opgetrokken, keukens gezet, kelders gegraven, appartementen gesplitst. Daarna werd ieder appartement voor de hoofdprijs verkocht. Ik schat zo dat de aankoopprijs een keer of drie over de kop ging.

De nieuwe bewoners waren licht, jong, succesvol en kapitaalkrachtig (en anders waren hun ouders dat wel). Naast ons kwamen Roos en Sebas te wonen. Type ideale schoondochter, ideale schoonzoon. Mooi, strak, professioneel, ambitieus.
Ze zaten voor hun nieuwe huis op de fatboy-kussens op de toch wat krappe stoep.

Ik zag ze zitten, groette en zei: ‘heb je net goudgeld betaald voor zo’n mooi huis, en dan moet je nog op de stoep zitten.’
Zelden zag ik zonnige humeuren zo snel bewolken. Het is nooit meer goed gekomen tussen ons. Het huis had hen blijkbaar zoveel gekost, dat ze zich geen lachje meer konden veroorloven.

zaterdag 3 juli 2021

Buurtverhalen (9): het sombere lot van F

 

F, heette ze. Ze woonde boven me en was zo lelijk als armoede en ellende en hard werk je lelijk kunnen maken. Een slecht gebit, een vale huid, zorgelijke lijnen, een wat kromme houding, handen met vergroeiingen. Ze zag eruit alsof ze een jaar of vijftig was, terwijl ze misschien pas 35 barre winters had meegemaakt.
Ze verdiende wat geld als schoonmaakster, net genoeg om niet dood te gaan, net genoeg om de niet geweldig goed onderhouden, erg schamele huurwoning te kunnen bekostigen.
Ze kende bijna niemand. Ja, ons, haar benedenburen, en nog wat familie. Een broer, een vader, wat poetsklanten. Wij waren de enige Nederlanders die ze wel eens sprak. Haar Nederlands werd er wat beter door, die gesprekjes van vijf minuten over het balkon, een kwartiertje op de stoep, een half uurtje in de tuin.
Maar we losten haar eenzaamheid niet op. Daar waren we niet voor.
Haar broer zag het wel als zijn taak. En hij had een oplossing gevonden: A werd ingevlogen. A, die geen woord Nederlands sprak, wel zijn stem wist te verheffen, en ervoor zorgde dat F minder vaak op straat, minder vaak in de tuin gezien werd.

Als ik F toch nog tegenkwam, groette, en vroeg hoe het ging, kreeg ik een schichtig antwoord, iets dat tussen ‘goed’ en ‘slecht’ en ‘bemoei je er niet mee’ in zat.
En toen ging ze verhuizen, naar iets dat groter en beter zou zijn.
In een dag had ze alle spullen ingepakt, en van de gracht naar een flatje in Bos & Lommer versleept. Zij én A.
‘Kom nog eens langs,’ zeiden we. ‘Geef ons je adres.’ Maar we kregen haar adres niet en ze kwam niet langs.

Een jaar of twee later zagen we haar ergens in de buurt scharrelen. Krommer dan anders, lelijker dan ooit, met minder tanden.
‘F! Hoe gaat ‘t?’
Niet zo best, ging het. A was nu in zijn geboorteland, maar zou over een paar maanden wel weer terug zijn. Dan moest zij weer voor hem koken, voor hem werken, voor hem zorgen. Maar wie zorgde er voor háár, in die wijk waar ze nog minder mensen kende, waar niemand met haar praatte, haar familie nauwelijks aandacht voor haar had, en er geen buren waren die wel eens naar haar omkeken? Het was een litanie aan ellende in halfbakken Nederlands.

Maar toen we haar uitnodigden weer eens langs te komen, of suggereerden zelf bij haar langs te gaan, bleek dat geen goed idee te zijn.
Dat zou A niet goed vinden, en haar broer ook niet.
Ze draaide zich snel om, en verdween voor altijd uit ons zicht.

maandag 7 juni 2021

Woordvindingsproblemen

 

Harvey Keitel "Smoke" | El gran secreto, Fotografia, Peliculas 

Na een avondje teveel geëmotioneerd praten en teveel chocoladetaart was het een onrustige nacht. Het verbaasde me ook niet om die ene acteur te zien, en die andere. Jeweetwel. Die beroemde.

Die gast met die beroemde quote en die andere. Met die koppen. Nee. Niet uit The Shining. Ik weet wie dat is, alhoewel ik even niet op zijn naam kan komen. Die andere. Die gast uit The Apprentice en die film met die taxi. Die. Maar dan bedoel ik dus die andere, op wiens naam ik echt niet kan komen maar ik zie zijn kop zo voor me. Was hij geen Duitser?

Man, wat heb ik er een hekel aan als ik niet op woorden en namen kan komen. Alzheimer Light. Woordvindingsproblemen. Is dit de start van een vorm van dementie? Ik moet de dokter maar eens bellen voor een onderzoek. In een kinderboek las ik iemand die niet zo sterk was in woorden, en een raar woord gebruikte voor Alzheimer. Welk woord was dat ook alweer? Het staat in een boek van Simone de Jong over meneer hartjes. Laat maar.

Die gast van Taxi, Nee! Taxi Driver. Robert de Niro. Maar die bedoel ik dus niet. Die andere.

Niet die gast die niemand meer een film wil laten maken omdat hij zich vergreep aan jongens of meisjes of vrouwen of wat ook alweer. Hoe heette hij dan? Uit die serie over de president, die serie die ik niet heb gezien maar die iedereen kent van Netflix. Ik heb geen Netflix. Kevin Spacey. Die dus niet. Maar die ander.

Tijd om naar buiten te gaan. Wandelen met de hond. De straat oversteken. Dat was het. Iets met een kruispunt. En een sigarenzaak. Prachtfilm. Jaren geleden gezien. Was het er niet een uit een reeks van drie? Iets met rook! Smoke? Up in smoke? Cheech en Chong? Nee, dat was suf. Nooit afgekeken. Hoe heette hij nou? Nee, niet Kevin Spacey. Dat wist ik al.

Maar wat dan toch? Waarom denk ik toch aan mannen die hun handen niet thuis kunnen houden? Aan Weinberg? Weinstein? Hoe heette die ook alweer precies? Harvey Weinstock?

Harvey Keitel! Topacteur. Smoke. Fijne film.

Maar waarom denk ik ’s nachts aan hem?

zaterdag 17 april 2021

Buurtverhalen (8): De sigarettenpeuken van mijn vader

 

Mijn oma woonde in het betondorp, niet de rijkste wijk van Amsterdam, maar wel netjes. Ik kan me herinneren dat ze, als het mooi weer was, op de stoep zat om daar in het zonnetje de aardappels te schillen, en dat ze na gedane arbeid en na gemaakte praatjes met de buren nog even de stoep veegde om die paar gevallen schillen en wat rommeltjes te verwijderen. Klein fatsoen.
Tot mijn tiende woonde ik in Bos & Lommer, niet de beste wijk van de stad, niet het beste deel van de wijk, met uitzicht op de speeltuin en de straat. Er golden strikte afspraken over wie wat deed in ons portiek. Wie veegde wanneer, wie poetste wat. De handhaving was streng, of vanzelfsprekend en afwezig, in ieder geval was er nooit gedoe. Behalve dan die ene keer dat ik confetti over het balkon van de buren en over de straat kukelde. Het leverde me kort plezier, harde woorden en strafcorvee (vegen!) op. Later bleek de benedenbuurvrouw niet zo’n gemene heks was als ik al snel vond dat ze was, en gaf ze me een chocoladereep als poetsloon.

In Osdorp, waar mijn ouders naartoe verhuisden en ik een hele puberteit woonde, ging het er wel wat anders aan toe. Hoewel de trapburen poogden een poetsschema met elkaar af te spreken, waren de meningen toch nogal verdeeld, en liet de uitvoering met verloop van tijd te wensen over. Andere buurt, andere mensen, andere tijden. Je zag het ook op straat. Naast de auto’s (ook die van mijn ouders) lagen stapels sigarettenpeuken, her en der lagen stukjes kauwgum, en die ene man die in het park met een vuilniszakje liep waarin hij het straatvuil gooide werd nagewezen en uitgelachen.

Waar ik nu al jaren woon, aan de gracht, is het bepaald niet beter. Veel vuil gaat zo vanuit huis de stoep op, de straat op, het grasperk op, de gracht in. In ieder geval lijkt het wel eens zo. En dan is het nu beter als toen, toen er nog geen vuilcontainers waren, maar de vuilnismannen stoere gasten waren die zware emmers en losse zakken met hun pinken de vuilniswagens ingooiden.

Het zijn hier, nu, geen Napolitaanse toestanden, dat zeker niet, maar het gemak waarmee grof of klein vuil verspreid wordt, her en der neergekwakt, en er impliciet verwezen wordt naar straatvegers (die er nauwelijks zijn), of perkonderhouders (die het volgens mij niet beroepsmatig maar justitieel verplicht doen en liever een peukje roken) of vuilnismannen (die een nogal krap schema hebben) is opvallend.

En toen? Toen vroeg en kreeg ik een vuilknijper voor mijn verjaardag. Twee zelfs.
Als je nu een brave burgerman langs de gracht ziet scharrelen, vuilniszak in de ene hand, knijper in de andere hand, op zoek naar lege flesjes, vieze papiertjes, gebruikte dingen die ik niet wil benoemen en andere gore troep, dan ben ik het waarschijnlijk. En dan ruim ik meteen die filtersigarettenpeuken op, die zó lang blijven bestaan dat ze misschien wel ooit van mijn vader zijn geweest.

zondag 11 april 2021

Buurtverhalen (7): Achter prikkeldraad

 

Het geheugen speelt me parten. Naast me, aan de ene kant, woonden buren, maar naast me, aan de andere kant, ook. Maar wie waren die buren van de andere kant ook alweer? Vast en zeker aardige mensen, die mij ook vast en zeker aardig vonden. 

We deelden een hekje dat onze tuinen van elkaar scheidde. Mijn wat rommelige groen en hun, net iets minder rommelige groen. Een laag, houten frame, betimmerd met een soort gaas waar kleine kippen nog wel doorheen konden komen, stel dat een van ons kippen gehad zou hebben. Maar de buren en ik hadden geen kippen. Ik ben de buren uit het oog verloren, en blijkbaar ook uit het hart en het geheugen. 

 

Er kwamen nieuwe mensen te wonen. Vriendelijke mensen, werd me verteld. Open, gewoon, misschien een beetje volks. Het roddelcircuit had ze snel geclassificeerd en beschreven. 

Na een paar dagen zag ik ze even op straat, twee mensen op leeftijd, een man en een vrouw. Ze wierpen een korte blik op me, en wendden zich af. Misschien wisten ze niet wie ik was. Logisch, ze waren nieuw.

Toen ik ze later in de tuin zag scharrelen liep ik naar ons hekje, om me voor te stellen. 

Eerst leek het alsof ze me niet zagen, daarna alsof ze me niet hoorden. Toen ik luider praatte en breeduit wuifde en ik ontegenzeggelijk in hun blik- en gehoor-veld was, kwam er wat nukkige beweging in één van de twee, in de man. 

 

Ik zei en deed wat je zoals zegt en doet bij een eerste kennismaking en ontvangst. Iets van hartelijk welkom, dit is mijn naam, dit is mijn hand.

Mijn hand bleef in de lucht hangen totdat ik hem weer terugtrok. 

Mijn naam riep alleen maar een vraag op. Of ik soms joods was, of Marokkaans. 

Hij vroeg het niet op een manier die paste bij een gezellig gesprek tussen twee nieuwe buren, en dat werd het dan ook niet. 

 

Niet veel later werd de tuinschutting aan hun kant verstevigd, verhoogd, en voorzien van een enorme hoeveelheid prikkeldraad. Uiteraard zat het prikkeldraad alleen aan mijn kant van het hek, aan mijn kant van hun tuin. De buren aan de andere tuinzijde hoefden niet op een stekelige afstand gehouden te worden. 

Werd ik er chagrijnig van? Ja. 

Deed ik er iets aan? Nee. 

Als mensen mijn vriendschap of goed nabuurschap niet willen, dan maar niet. Ik wilde geen tijd steken in het neerhalen van de muur. En om nu net als Jozua bij het hek heen en weer te paraderen en de hele tijd op mijn ramshoorn te blazen, in de hoop dat de afwerende muur van de vijand om zou vallen, leek me niet heel kansrijk of zinvol. 

Ik vervloekte de racist, en gokte erop dat de tijd (en mijn vloek) zijn werk zou dan. 

De prikkelstelling bleek inderdaad geen lang leven beschoren. Toen er nog twee, iets donkerder gekleurde gezinnen in de buurt kwamen wonen, kozen de hekkenbouwers het hazenpad. Of het toeval was of niet, dat weet ik niet. 

Om het te vieren haalde ik het hek neer. Het prikkeldraad bezorgde me wat krassen en schrammen, maar dat had ik er wel voor over.